Laura van Geest, directeur CPB. © CPB

De economische tunnelvisie van het CPB?

Heeft het Centraal Planbureau (CPB) een economische tunnelvisie? In juni publiceerde het CPB de studie Kansrijk Onderwijsbeleid. Eén van de aanbevelingen uit het rapport die op veel belangstelling kon rekenen, was om al tijdens de basisschool te differentiëren op niveau – dus door slimmere en snellere leerlingen in andere parallelklassen te plaatsen. Twee onderwijssociologen oefenden scherpe kritiek uit op de aannames en methodes in de studie.

In juni publiceerde het Centraal Planbureau (CPB) de studie Kansrijk Onderwijsbeleid. Studies in de Kansrijk-reeks spitten de wetenschappelijke literatuur door om de effecten van beleidsmaatregelen in kaart te brengen, en berekenen gelijk de kosten en opbrengsten. Recente titels zijn Kansrijk Innovatiebeleid, Kansrijk Woonbeleid en dus ook Kansrijk Onderwijsbeleid.

De dag na publicatie verscheen van twee onderwijssociologen een ferme kritiek: de CPB-onderzoekers hadden zich schuldig gemaakt aan ‘economische tunnelvisie’. Eén van de aanbevelingen uit het rapport die op veel belangstelling kon rekenen, was om al tijdens de basisschool te differentiëren op niveau – dus door slimmere en snellere leerlingen in andere parallelklassen te plaatsen. Herman van de Werfhorst en Thijs Bol constateerden dat deze uitspraak een nogal smalle basis had: één onderzoek, uit Kenia. (Een tweede geciteerde studie, uit Zuid-Korea, betrof geen basisonderwijs maar voortgezet onderwijs.)

Van de Werfhorst en Bol vinden het “nogal stuitend dat het rapport zich liever baseert op één experimentele studie uit Kenia dan uit een rijke verzameling onderzoeken uit de onderwijskunde en sociologie in Westerse landen.” De Keniaanse context is behoorlijk anders, laten de twee vorsers zien: de winst in het Keniaanse experiment bestond er goeddeels uit “dat de experimentele introductie van selectieve klassen ertoe bijdroeg dat docenten vaker daadwerkelijk in de klas te vinden waren.” Van het Nederlands onderwijs kan toch niet gezegd worden dat dit een actueel probleem is.

Volgens Van de Werfhorst en Bol komt de scheve selectie van onderzoek door het CPB “voort uit de wens om uitsluitend studies te bespreken die uitblinken in het aantonen van causale effecten. Dat zijn studies met een experimenteel of quasi-experimenteel onderzoeksdesign.” Met dat soort onderzoekswerk, dat vooral in de hoek van de econometrie gebruikelijk is, kan het CPB de gewenste als-dan-uitspraken doen. Maar de spoeling in dat soort onderzoeken is bijzonder dun. Sterker nog, volgens Maastrichts socioloog Mark Levels beperken economen zich daardoor tot onderzoeksvragen waarbij dat soort causale relaties (enigszins) te vinden zijn, en sluiten vele andere (vaak belangrijkere) velden uit: “Economen zoeken vaak eerst naar slimme data over een natuurlijk experiment, en zoeken daar vervolgens een passende onderzoeksvraag bij.” Dat leidt, zeker wanneer deze effecten doorwerken tot het functioneren van gerenommeerde instanties zoals het CPB, tot “een onverstandige verschraling van beleidsadvisering en van een verarming van de kwaliteit van het maatschappelijk debat.”

Deze scheve selectie is ook terug te vinden in de literatuurlijst van Kansrijk Onderwijsbeleid. Van de Werfhorst en Bol telden het aantal referenties en splitsten het uit naar wetenschapsgebied (zie diagram). Maar liefst 72% van de referenties betrof publicaties in economische vaktijdschriften. Nog geen 10% kwam uit de hoek van de onderwijskunde.

Figuur: Herman van de Werfhorst en Thijs Bol

De reactie van Van de Werfhorst en Bol deed nogal wat stof opwaaien. De twee sociologen, inmiddels geflankeerd door nog eens een onderwijskundig tweetal, houden in dit artikel voet bij stuk. Zij schrijven: “In onze visie zouden beoefenaren van verschillende maatschappijwetenschappen belangrijke bondgenoten kunnen zijn in het bieden van een multidisciplinair wetenschappelijk perspectief op beleidsrelevante kwesties. Maar dat vereist wel dat de luiken open gaan, zo al niet op de universiteit dan zeker bij beleidsadviseurs van het CPB.”

De aard van de kritiek heeft er tot dusver vooral gezorgd dat economen en sociologen elkaar in de haren vliegen over hun respectievelijke onderzoeksmethodieken en -normen. “Sociologen ruiken bloed,” kopt econoom Lex Borghans dan ook op economie.nl. Borghans verdedigt het functioneren van het CPB. Volgens hem sluit het planbureau zich met verve aan bij een lovenswaardige “traditie om de manier waarop empirisch onderzoek wordt gedaan te vernieuwen” en verrichten onderwijseconomen werk dat door sociologen wordt laten liggen.

Ook het debat over de feitelijke kwestie – is differentiatie op de basisschool goed? – blijft woeden. Daar willen de vier criticasters ook graag wat over kwijt. Ze schrijven: “De twintigste eeuwse manier van differentiatie (extern in schooltypen of parallelklassen) is wel vaak onderwerp van studie, maar daarmee nog niet de enige of zelfs beste manier om dit te doen. De mogelijkheden om binnen groepen te differentiëren zijn de afgelopen jaren sterk toegenomen. Recente ontwikkelingen in de ICT maken dat de mogelijkheden rondom geïndividualiseerde vormen van lesstofaanbod en feedback zodanig groot zijn dat het de moeite loont om daar meer op te focussen.”

De Gentse hoogleraar Wouter Duyck benoemt in De Volkskrant diverse opties van groeperen die goed resultaat kunnen opleveren – ook de varianten die het CPB die in hun advies opneemt. Duyck vindt het CPB-advies “zo gek nog niet” – maar de vraag blijft, aldus Duyck, waarom de selectie van gebruikte literatuur toch zo bijzonder scheef is.